The Press Junction.
The Press Junction.
12 mei 2026

Makkelijk praten over stress! Wetenschappers onderscheiden 7 vormen van mentale spanning – welke is die van jou?

©Christian Erfurt via Unsplash

Er is één ding dat bijna iedereen vanzelfsprekend vindt als het over psychische stress gaat: dat het één enkel gevoel is, meer of minder intens, beter of slechter hanteerbaar. Een vage last, lastig te omschrijven, die wat angst met zich meebrengt, wat slapeloosheid en momenten van prikkelbaarheid. Die aanname zou echter wel eens onjuist kunnen zijn, of in elk geval behoorlijk onvolledig.

Een studie die is gepubliceerd in het tijdschrift eClinicalMedicine zet dit vertrekpunt opnieuw ter discussie, met resultaten die iedereen aangaan die zich ooit heeft afgevraagd waarom bepaalde moeilijke periodes andere sporen nalaten dan andere, of waarom twee mensen met dezelfde diagnose zich op compleet tegengestelde manieren zo slecht kunnen voelen.

Mentale spanning is niet één en hetzelfde ding

Tom Bresser, onderzoeker aan het Netherlands Institute for Neuroscience (NIN), analyseerde de antwoorden van honderden volwassenen op zoek naar terugkerende patronen in hun psychische klachten. Wat hij aantrof, is dat de zogeheten hyperarousal – de technische term voor een toestand van aanhoudende alertheid, een mentale en fysieke spanning die maar niet uitgaat – helemaal geen eenduidig fenomeen is. Ze valt uiteen in zeven verschillende vormen, elk met een eigen profiel.

De zeven profielen die uit het onderzoek naar voren kwamen zijn: angstig, lichamelijk, sensitief, slaapgebonden, prikkelbaar, waakzaam en een zogenoemd “sudomotorisch” profiel, dat te maken heeft met zweten en rood worden door zenuwactivatie. Het gaat niet om gescheiden categorieën die bij verschillende mensen optreden: deze patronen overlappen binnen één en dezelfde persoon, maar in andere verhoudingen, afhankelijk van de stoornis waarvan iemand last heeft.

Bij een depressie bijvoorbeeld is het prikkelbare profiel duidelijker aanwezig. Bij een gegeneraliseerde angststoornis domineert het angstige profiel, terwijl mensen met paniekaanvallen vooral de lichamelijke component laten zien: hartkloppingen, een gejaagde ademhaling, het fysieke gevoel van dreigend gevaar. De posttraumatische stressstoornis (PTSS) valt op door waakzaamheid en het sudomotorische profiel: de activatie van het zenuwstelsel die voor zweten en opvliegers zorgt. Sociale angst hangt sterker samen met sensitiviteit, terwijl bij ADHD geen duidelijk dominant profiel opvalt, maar eerder een breder verspreide activatie.

Een nieuw instrument om te meten wat oude vragenlijsten door elkaar haalden

Klinisch onderzoek leunde jarenlang op vragenlijsten die waren opgebouwd rond afzonderlijke stoornissen, instrumenten die geneigd waren om gemengde signalen op te vangen in plaats van de verschillende componenten van spanning uit elkaar te halen. Het gevolg was dat studies bij vergelijkbare groepen elkaar leken tegen te spreken, simpelweg omdat ze onbewust verschillende zaken maten.

Het team van Bresser ontwikkelde een vragenlijst van 27 items die alle zeven profielen tegelijkertijd kan vastleggen. Dit instrument werd vervolgens gevalideerd op een tweede steekproef van 592 personen, wat de betrouwbaarheid ervan bevestigde, aldus Bresser.

In plaats van eindeloos te moeten zoeken naar de juiste combinatie van vragenlijsten, kunnen onderzoekers dit instrument nu gebruiken om hyperarousal veel eenvoudiger en vollediger in kaart te brengen.

Enkele slaaplaboratoria maken er al gebruik van. De praktische gevolgen zijn aanzienlijk. Als een patiënt zich meldt met slapeloosheid, kan er ook een latente aanleg zijn voor angst of een traumagerelateerde stoornis, zonder dat iemand dat al heeft opgemerkt. Achterhalen welke vorm van spanning op dat moment het sterkst actief is, kan de behandelaar helpen te begrijpen wat de symptomen werkelijk voedt, nog voordat er een volledig uitgekristalliseerd diagnostisch beeld is.

Het onderzoek opent bovendien een interessant neurobiologisch perspectief. Verschillende hersensystemen – die voor de dreigingsrespons, aandacht, slaap en lichamelijke signalen – functioneren onafhankelijk van elkaar. Volgens Bresser is het goed mogelijk dat elk van de zeven profielen overeenkomt met de activatie van aparte neurale circuits. De consequentie zou aanzienlijk zijn: in plaats van spanning als één enkel doelwit te behandelen, zouden therapieën zich kunnen richten op het specifieke patroon dat op dat moment de klachten van die persoon aanstuurt.

Er is nog een laatste aanwijzing voor grootschalige epidemiologische databanken. De analyse liet zien dat de gegevens uit de UK Biobank (meer dan 500.000 deelnemers) het mogelijk maken om drie van de zeven profielen te schatten: het angstige, het prikkelbare en het slaapgebonden profiel. Dat opent de deur naar grootscheepse studies die spanningspatronen koppelen aan genetische data, neuroimaging en langetermijnuitkomsten voor de gezondheid.

De auteurs wijzen ook op enkele beperkingen: de hoofdsteekproef was overwegend vrouwelijk en bestond vooral uit oudere deelnemers, de werving vond plaats via een slaapregister – wat mensen kan hebben aangetrokken die al nachtelijke problemen hadden – en de metingen zijn gebaseerd op zelfrapportage, niet op objectieve fysiologische data. Toekomstig onderzoek zal jongere en meer evenwichtige steekproeven moeten omvatten, met metingen zoals hartslag of hersenactiviteit.

Toch verschuift de studie iets fundamenteels: het draait niet langer alleen om de vraag hoe erg iemand eraan toe is, maar vooral op welke manier iemand zich slecht voelt. Een onderscheid dat op termijn zowel de diagnose als de behandeling kan veranderen.

Delen: